Verplichting tot aandelenverkoop kan FE verhinderen
Als van het begin af aan vaststaat dat een holding aandelen in een dochtervennootschap Een bv drijft een groothandel in bouwmaterialen. Via een opgerichte dochtervennootschap Economische eigendom ontbreekt De bv gaat vervolgens in hoger beroep. De zaak belandt uiteindelijk bij de Hoge Raad. Geen vertrouwen in beschikking fiscale eenheid Het hof oordeelt daarnaast dat de bv niet het in rechte te honoreren vertrouwen kan Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 11-03-2025 (gepubl. 21-03-2025), Rechtbank Zeeland-West-Brabant
tegen een vaste prijs zal verkopen, is geen sprake van economische eigendom. De holding
en de dochtervennootschap kunnen dan geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting
vormen.
en een cv heeft de bv geïnvesteerd in een schip. De partijen hebben gekozen voor deze
opzet zodat de bv kan profiteren van de tijdelijke regeling voor willekeurige afschrijving.
Deze belastingconstructie slaagt echter niet. Volgens de fiscus is geen fiscale eenheid
(FE) voor de vennootschapsbelasting tot stand gekomen tussen de bv en de opgerichte
dochtervennootschap die in de cv participeert. De inspecteur stelt dat de bv niet
voldoet aan de voorwaarden voor een FE omdat zij niet de economische eigendom van
de aandelen in de dochtermaatschappij bezit. De bv gaat in beroep, maar Rechtbank
Zeeland-West-Brabant verklaart haar beroep ongegrond.
Die oordeelt dat de inspecteur niet is gebonden aan een bij de beschikking fiscale
eenheid gedane toezegging. De bv kan niet met succes een beroep doen op vertrouwen
gewekt door die toezegging, indien die bv (i) bij het verzoek om die beschikking of
naar aanleiding van vragen van de inspecteur om nadere inlichtingen naar aanleiding
van dat verzoek, onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur
de juiste en volledige inlichtingen daarover heeft onthouden, terwijl (ii) de bv redelijkerwijs
had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was het verzoek goed en
volledig op zijn fiscale merites te beoordelen. Hof Arnhem-Leeuwarden moet vervolgens
onderzoeken of de bv juiste inlichtingen heeft verstrekt. Ook Hof Arnhem-Leeuwarden
oordeelt dat de bv niet voldoet aan de voorwaarden voor een FE omdat zij niet de economische
eigendom van de aandelen in de dochtermaatschappij bezit. De bv had zich van het begin
af aan verplicht om de aandelen uiterlijk in januari 2012 te verkopen tegen een vooraf
vastgestelde prijs. Daardoor gingen de waardeontwikkelingen van de aandelen de bv
niet aan. De bv heeft immers feitelijk geen economisch risico gelopen over de aandelen.
ontlenen aan de beschikking FE, omdat zij de inspecteur onjuiste informatie heeft
verstrekt. De bv heeft aangegeven dat zij de economische eigendom van de aandelen
bezat, terwijl dit niet het geval was. De inspecteur beschikte niet over alle benodigde
feiten en omstandigheden bij het afgeven van de beschikking. Pas later heeft hij kennisgenomen
van de volledige documentatie en de werkelijke aard van de investering. Toen pas kon
hij vaststellen dat de bv niet voldeed aan de voorwaarden voor een FE. Dat betekent
ook dat de Belastingdienst beschikt over een nieuw feit om te kunnen navorderen.
15-08-2019 (gepubl. 26-11-2019), Hoge Raad 01-12-2023